Work Engagement in Medical Education

Dinsdag 18 september 2018 promoveert Joost van den Berg aan de Universiteit van Amsterdam, Faculteit der Geneeskunde. Hij zal zijn proefschrift getiteld ‘Work Engagement in Medical Education’ in het openbaar verdedigen. Promotores: Prof. dr. M.J.M.H. Lombarts (Universiteit van Amsterdam) & Prof. dr. A.D.C. Jaarsma (Rijksuniversiteit Groningen), Copromotores: Prof. dr. A.J.J.A. Scherpbier (Maastricht University) & Dr. C.P.M. Verberg (Universiteit Leiden).

Lees het volledige proefschrift hier. Een Nederlandse samenvatting van het proefschrift vindt u hieronder:

In de introductie van dit proefschrift wordt uitgelegd dat het welzijn van docenten, opleiders en anderen binnen de medische faculteit belangrijk is, omdat welzijn of positief welbevinden (work engagement) geassocieerd is met een betere gezondheid, betere prestaties en meer. Het was in het algemeen al bekend, uit eerder onderzoek, welke eigenschappen van het werk en van de persoon dat welzijn sturen. Dit onderzoek suggereerde ook dat docenten en opleiders verschillende niveaus van welzijn ervaren in de verschillende werkgebieden. Daarmee wordt bedoeld dat docenten en opleiders een hoger of lager niveau van welzijn ervaren in hun docentrol dan in hun werk als zorgverlener. Twee vragen bleven tot op heden onbeantwoord. Ten eerste of het zo is dat de verschillende werkgebieden (zoals zorg en onderwijs) het beste geïsoleerd, met elk hun eigen eigenschappen, moeten worden onderzocht. Ten tweede of het zo is dat deze werkgebieden te onderscheiden zijn maar wel verbonden, en indien dat het geval is, waaruit die verbinding dan bestaat. Dit proefschrift omvat beide vragen. Er is onderzocht welke externe factoren (zoals de eigenschappen van de werkomgeving en de inhoud van het werk) bijdragen aan het welzijn van docenten en opleiders, specifiek in hun docentrol. Vervolgens is er in dit proefschrift aandacht besteed aan de effecten op welzijn in de docentrol van deelnemen aan patiëntenzorg, wetenschap en eventuele andere interessegebieden naast het onderwijs en opleiden.

Het tweede hoofdstuk uit dit proefschrift voorziet in een uitgebreid overzicht van de huidige literatuur rondom work engagement binnen het medisch onderwijs, de onderliggende theorieën en het Job Demands-Resourcesmodel (JD-R). Er wordt een overzicht gegeven van de het onderzoek naar work engagement binnen de medisch-onderwijs context en er worden aan de hand daarvan praktische aanbevelingen en aanbevelingen voor toekomstig onderzoek gegeven.

Het derde hoofdstuk beantwoordt de vraag hoe docenten en opleiders hun werkomgeving omschrijven in termen van taakeisen en energiebronnen gerelateerd aan de onderwijstaak. En, hoe zij de interactie tussen de verschillende taken en rollen beschrijven in relatie tot hun onderwijstaak. Er werd in meerdere centra een semi-gestructureerd interviewonderzoek verricht met een diverse groep docenten en opleiders; er werd gebruik gemaakt van een zogenoemde open-coding strategie waarbij sensitizing concepten en template analyse gebaseerd op het JD-R model werden toegepast op de getranscribeerde interviews. Wij vonden dat docenten en opleiders niet op uniforme wijze, en soms zelfs op tegengestelde wijze, hun werkomgeving beschrijven, met daarin een hoge mate van individuele variabiliteit. Dit zowel op de positieve als de negatieve punten. Patiëntenzorg en wetenschap zijn ondersteunend voor het onderwijs en geven energieboosts vanuit de ene rol op een andere rol als er successen worden geboekt. Vanzelfsprekend levert het afwisselen van rollen ook meer taakeisen op en strijden de rollen om de aandacht van docenten en opleiders.

Het vierde hoofdstuk beantwoordt de vraag in hoeverre de mate waarin docenten en opleiders zich met hun onderwijs- en opleidersrol identificeren, zich verhoudt tot hun work engagement en job crafting – als operationalisering van het aanpassen van het werk. En, in hoeverre autonomie, werkervaring en de grootte van de taak zich verhouden tot job crafting. En, welke veranderingen proberen docenten en opleiders te bewerkstelligen wanneer zij hun werkomgeving proberen aan te passen en wat zijn vervolgens de consequenties en sleutels tot succes? Hiervoor werd een online enquête-onderzoek opgezet onder docenten en opleiders van 14 (academische) ziekenhuis. De belangrijkste uitkomstmaat was de mate van job crafting gemeten in het zoeken van structurele en sociale energiebronnen en uitdagingen en het uit de weg gaan van hinderlijkheden. Ter analyse werd een structural equation model-analyse verricht om daarmee de path coefficients tussen de eigenschappen van de werkomgeving, work engagement en job crafting vast te stellen. Wij vonden dat de mate van identificering met de onderwijs- en opleidingsrol, relatief ten opzichte van mate van identificering met andere rollen, geen invloed heeft op de mate van job crafting en work engagement. De ervaren autonomie heeft wel een sterke invloed op work engagement en job crafting. Echter, meer objectieve maten zoals de grootte van een taak hebben weer geen invloed. De aanpassingen die door docenten en opleiders worden beschreven zijn divers. Een algemeen onderscheid dat kan worden gemaakt is dat deze aanpassing meer intern gericht kunnen zijn (op de persoon) of meer extern (op het werk of de werkomgeving) en dat vervolgens deze aanpassingen meer op de omstandigheden gericht kunnen zijn of de inhoud van het werk.

Het vijfde hoofdstuk beantwoordt de vraag wat de invloed is van work engagement op job crafting binnen de respectievelijke patiëntenzorg-, onderwijs- en opleidingsrollen. En, wat de invloed is van work engagement binnen de patiëntenzorg op job crafting in het onderwijs en opleiden (een effect tussen rollen). Hiervoor werd een online enquête-onderzoek opgezet onder docerende en opleidende artsen van 14 (academische) ziekenhuis. Work engagement en job crafting werden apart gemeten voor de respectievelijke rollen. Er werd structural equation modeling toegepast, gecontroleerd voor leeftijd, geslacht, autonomie en deelname in besluitvorming. Binnen rollen had work engagement een duidelijk positief effect op job crafting. Tussen rollen, was het effect van work engagement op job crafting afwezig of negatief, maar zeker niet positief.

Het zesde hoofdstuk beantwoordt de vraag wat de essentiële elementen zijn van ervaringen met sociale steun onder docenten en opleiders. En, wat betekenen deze ervaringen voor docenten en opleiders? Er werden interviews gehouden met docenten en opleiders die doelmatig geselecteerd waren om een diversiteit aan achtergronden en werkomstandigheden te waarborgen, daarnaast dienden zij een aanzienlijke gedeelte van hun tijd aan het onderwijs en opleiden te besteden. Zowel klinische als niet-klinische docenten en opleiders namen deel. De Pictor-techniek werd gebruikt om de interviews te sturen. Deelnemers werden uitgenodigd te praten over de uitgebreidheid van sociale steun en uit te weiden over betekenisvolle ervaringen. Template analyse werd gebruikt voor een beschrijvende fenomenologische analyse. Wij vonden dat de essentiële elementen van steun het volgende omvat: wat er wordt gedaan, door wie, door wie en hoe deze steun wordt geïnitieerd en de intentie van de steungever. Wanneer steun wordt ervaren, komt dat doordat er een gevoel wordt opgeroepen van geruststelling en vertrouwen, van aanmoediging en vastberadenheid of van rechtvaardiging van de onderwijstaak en verwantschap.

De algemene discussie brengt de bevindingen uit de individuele hoofdstukken allereerst samen. Na een reflectie op deze bevindingen en een uitleg daarvan – gebruikmakend van gevestigde theorieën en ander onderzoek. Vervolgens wordt er een herzien perspectief van het (ontstaan van) welzijn onder docenten en opleiders geschetst. Na de beschrijving van de krachten en beperkingen van het onderzoek, worden op basis van het herziene perspectief praktische gevolgen en suggesties voor toekomstig onderzoek geschetst. De conclusie is dat welzijn in de onderwijs- en opleidingsrol een complex proces omvat. Voor de individuele docent of opleider vanwege de competitie in termen van energie en tijd tussen patiëntenzorg, wetenschap en onderwijs – een combinatie die ook voordelen heeft. Voor diegene in leiderschapsposities en bestuurlijke posities vanwege de verschillende noden en behoeften van deze docenten en opleiders en doordat het moeizaam kan zijn om de docenten en opleiders met elkaar te verbinden. Voor toekomstig onderzoek omdat het gehele welzijnsproces cyclisch, longitudinaal en van vele variabelen afhankelijk is. Maar: als deze docenten en opleiders de steun vinden om zichzelf verder te ontwikkelen, hun persoonlijke energiebronnen te ontwikkelen en hun job crafting vaardigheden te ontwikkelen dan zullen zij waarschijnlijk goed in staan zijn hun welbevinden te behouden en verbeteren. En met het toenemen van hun welbevinden, ook hun presteren.